Informatie en ondersteuning voor ondernemers

 
 
  1. Relevante begrippen bij een kredietaanvraag

     
  2. Accreditieven (bankgaranties)
    Een accreditief is een instrument van de bank om het risico van een juiste levering en het betalingsrisico te dekken. Het wordt meestal gebruikt bij het internationaal zakendoen.

    Het is een verbintenis tot betaling tussen de bank van de koper en de leverancier. De verkoper levert niet voordat de verbintenis (met de verplichting tot betaling) van de bank van de koper is ontvangen en de koper betaalt niet voordat alle documenten juist aan hem zijn overgedragen.
  3. Bestedingsdoel
    Doel waaraan je geld wilt besteden.
  4. Bestaande zekerheden
    Bij het sluiten van kredietovereenkomsten worden door banken zekerheden gevraagd. Dat zijn rechten waardoor de bank extra beschermd is wanneer onverhoopt een normale kredietaflossing niet langer kan plaatsvinden en de bank over zal moeten gaan tot het opzeggen van de kredieten.
  5. Debetrente
    Rente die betaald moet worden voor een, van een financiële instelling geleend, geldbedrag.
  6. Debiteur / kredietnemer
    Schuldenaar, ofwel een persoon of onderneming met een schuld aan een andere persoon of onderneming.
  7. Jaarcijfers
    Dit zijn de balans en verlies- en winstrekening van een onderneming
  8. Kredietfaciliteit
    Mogelijkheid voor een klant om rood te staan bij een bank
  9. Liquiditeit
    De mate waarin een onderneming in staat is om op korte termijn (< enkele maanden) aan haar betalings- en aflossingsverplichtingen te voldoen.
  10. Looptijd
    De periode van een lening tussen het moment van afsluiten van de lening en het moment van laatste aflossing
  11. Regresvorderingen
    Vordering op verhaalbaarheid van schade
  12. Rekening-courant krediet
    Een rekening-courant krediet wordt ook wel krediet op de betaalrekening genoemd, dit betekent dat je tot een bepaald bedrag rood kunt staan. De bank stelt de kredietlimiet vantevoren vast, op basis van je inkomen. Vaak is de rente bij roodstand een stuk hoger dan bij een doorlopend krediet of persoonlijke lening.
  13. Solvabiliteit
    De solvabiliteit is de mate waarin er tegenover schulden een dekking van bezittingen staat. Dit bereken je door het eigen vermogen te delen door het vreemd vermogen. De gewenste solvabiliteitswaarde ligt tussen 0,20 en 0,50. Als er geen geld geleend is van de bank en de hele onderneming zelf gefinancierd is, dan is de solvabiliteit 100 procent. Hoe hoger de solvabiliteit, des te minder afhankelijk je bent van externe vermogensverschaffers zoals een bank. Hoe meer vreemd vermogen in een bedrijf aanwezig is, des te lager de solvabiliteit is.
  14. Statutaire naam
    Bedrijfsnaam zoals opgenomen in de oprichtingsakte.
  15. Vergunningen
    Bewijs van toestemming voor een bepaalde activiteit
  16. Verpanding / pandrecht
    Pandrecht is het recht om roerend goed van een ander zijn vordering te verhalen, met voorrang boven eventuele andere schuldeisers.
  17. Volmacht
    Een meestal schriftelijke verklaring van iemand, dat hij een ander de bevoegdheid geeft bepaalde (rechts)handelingen voor hem uit te voeren.
  18. Vorderingen krachtens subrogatie
    Bij subrogatie komt een nieuwe schuldeiser in de plaats van de oorspronkelijke schuldeiser. De nieuwe schuldeiser neemt alle rechten en vorderingen met betrekking tot een bepaalde schuld over van de oorspronkelijke schuldeiser. Een andere uitdrukking voor subrogatie is 'indeplaatsstelling'.
  19. Zorgplicht
    In de relatie tussen een bank en haar klanten is veelal sprake van een verschil in kennis van zaken. De gemiddelde klant zal minder afweten van bepaalde producten van een bank dan die bank zelf. Op de bank rust een zorgplicht bij het aangaan van een relatie met een klant en bij de dienstverlening daarna. De klant heeft een eigen verantwoordelijkheid bij het gebruik van die diensten.
 
2009 © Ondernemerskredietdesk. Alle rechten voorbehouden.
Lees voor gebruik graag de disclaimer en het privacy reglement.